Lucaskerk in Winkel

Diensten - welkom

Dienstrooster

Bijzondere diensten

Doopdiensten

Vesper Haringhuizen

Kerkenraad

Diaconie

Missionaire Arbeid

Symbool en kleuren

Bloemschikken

foto's

Kerkbrief

ingekomen stukken

Contacten

IN GESPREK
 
'In gesprek' heeft twee betekenissen. Betekenissen die feitelijk elkaars tegenpolen vormen. Als iemand 'in gesprek' is terwijl je hem of haar telefonisch probeert te bereiken, en mijn ervaring is dat zoiets soms eindeloos kan duren, dan is die persoon op dat moment onbereikbaar, en dan kom je dus niet écht met elkaar in gesprek! Want dát is de ándere betekenis van 'in gesprek' zijn, dat je werkelijk ten diepste van mens tot mens met elkaar spreekt, en dat het ook ergens over gáát. Dat het een inhoudelijk gesprek is, waarbij je elkaar écht ontmoet, in alle kwetsbaarheid en interesse in die ander. Een gesprek over zaken die je raken, zaken, gevoelens, gebeurtenissen en mensen, die er voor jou en die ander wérkelijk toe doen. Dan bén je er voor elkaar, in meeleven, niet alleen met een luisterend oor, maar ook met een luisterend hárt! Dat is héél wat anders dan een obligaat 'praatje', waarbij ik mensen zelfs soms hoor zeggen: 'Hoe gaat het? Goed zeker?' Dan wil je dus kennelijk niet écht weten hoe het met die ander gaat! Hetzelfde effect heeft de vraag 'Hoe gaat het?' als je vervolgens niet ingaat op de aarzelende toon van een antwoord als 'Nou, wel goed hoor…' Dat je dan niet doorvraagt en zegt: 'Ik hoor wat twijfel, wat is er aan de hand?' Jezus is daarbij ons voorbeeld. Hij is bij uitstek de mens die luistert naar ons allemaal, wie we ook mogen zijn. Hij luistert met hart en ziel en met inzet van heel Zijn leven.  Over dat luisteren gaat het volgende spiegelverhaal.
'Een arme weesjongen was koeherder voor de rijkste boer in de wijde omtrek. Hij kon niet lezen of schrijven, want hij was nooit naar school geweest. Hij bezat ook niets. Behalve een rietfluit, het enige dat hem nog verbond met zijn ouders, die beiden vlak na zijn geboorte waren overleden. De jongen was verder opgegroeid op de boerderij van de rijke boer. Hij had zichzelf leren spelen op de rietfluit terwijl hij bij de koeien was in het land. Vaak voelde hij zich eenzaam, want hij hoorde nergens bij. Daar verlángde hij wél heel erg naar, om erbij te horen, bij mensen die hem kenden en aanvaardden. Dat gevoel werd heel sterk als hij soms naar het dorp liep en langs een gebouw kwam waar mensen op een melodieuze manier baden en lazen uit een boek. Het waren Joden, die samenkwamen in de synagoge. Sommige mensen herkende hij wel uit het dorp. Geboeid bleef de jongen kijken en luisteren. Wat zou hij daar graag bijhoren! Zo ging hij vaker op een vrijdagavond naar het dorp om er van een afstandje iets van mee te maken. Maar toen ze hem ontdekten joegen ze hem weg. 'Wat moet je hier toch altijd te gluren? Maak dat je wegkomt, je hoort hier niet!' Toch bleef hij ernaar verlangen. Hij hoorde dat binnenkort het Joodse Nieuwjaar gevierd zou worden, waarop men zou bidden voor een goed nieuw jaar. En een week later zouden de mensen op Grote Verzoendag de hele dag vasten en bidden om vergeving voor wat ze het afgelopen jaar verkeerd hadden gedaan. Toen die dag was aangebroken was de herdersjongen in het veld bij de koeien. Om er een beetje bij te horen vastte hij wel de hele dag, maar bidden kon hij niet, dat had hij nooit geleerd. Hij had gehoord dat bij zonsondergang, als de eerste sterren te zien waren, er op de ramshoorn geblazen zou worden. Dan zouden de gebeden van de mensen omhoog stijgen naar God. Na zijn werk bleef de herdersjongen op het weiland vlak bij de synagoge. Hij fluisterde: 'O, God, ik weet niet hoe ik moet bidden, maar wilt U naar het lied op mijn rietfluit luisteren?' En hij floot vol overgave een melodie die hij zelf had bedacht. Hij ging door tot de zon onderging en de eerste sterren verschenen. In de synagoge wachtten de mensen ook moe en hongerig op het slotgebed van de rabbi en op het blazen op de ramshoorn. Dan konden ze naar huis na een dag vasten en bidden en de schade weer inhalen bij de maaltijd die ze te wachten stond. De kooplieden dachten aan de zaken die ze de volgende dag weer konden doen. Zo had ieder zijn eigen gedachten. Maar de rabbi begon maar niet met het slotgebed, hij bleef maar lofliederen zingen en om vergeving smeken. De mensen werden ongeduldig, de zon was al onder en er waren al meer dan drie sterren te zien aan de hemel. Grote Verzoendag was afgelopen. In de stilte die viel na wéér een gebed van de rabbi hoorden de mensen het fluitspel van de herdersjongen. Het was alsof de rabbi dáár op had gewacht! Verheugd keek hij op, hij sprak het slotgebed uit en blies tenslotte op de ramshoorn. De mensen haalden opgelucht adem en vroegen de rabbi waarom hij zo lang had gewacht met het slotgebed. 'Ik had een visioen', zei de rabbi, 'de hemelpoorten waren gesloten en onze gebeden werden niet door God aangenomen.' 'Waarom niet?' vroegen de mensen. 'Ik denk omdat onze gebeden niet uit het hárt kwamen, we waren met onze gedachten bij onze eigen zaken.' Pas toen ik dat wijsje op de fluit hoorde spelen, zag ik de hemelpoorten opengaan. Op de tonen van dat wijsje gingen onze gebeden tot God.' 'Maar waarom wél dat simpele liedje, en niét de heilige woorden die wíj uitspraken?' zo vroeg men hem. 'Ik denk', zei de rabbi, 'dat de mens die dít lied voor God speelde, het deed met héél zijn hart. Dat was een waaráchtig gebed!' Beschaamd gingen de mensen naar huis. Als laatste verliet de rabbi de synagoge en keek om zich heen in het schemerdonker. Ja, dáár stond de herdersjongen die hij al vaker had gezien met zijn rietfluit! Verheugd strekte de rabbi zijn handen naar hem uit, wenste hem een goed nieuw jaar en nodigde hem in zijn huis om met zijn gezin samen te eten! Sommige achterblijvers zeiden verschrikt 'Hij komt zo achter de koeien vandaan, hij is vuil, hoe kunt u hem zo in uw huis binnen laten?' 'Nou, gewoon, door de voordeur!' zei de rabbi, en liet hen verbaasd achter.'
Ik hoop dat we ook in dit nieuwe jaar weer écht met elkaar in gesprek kunnen komen, luisterend en sprekend met hart en ziel.
 
 
 
 
 
HET NIEUWE JAAR
 
In het nieuwe jaar staan voor velen van ons veranderingen te wachten. Veranderingen die diep ingrijpend zijn, of misschien maar een beetje. Veranderingen waar je naar uitziet en veranderingen waar je tegenop ziet. Veranderingen die je zelf gekozen hebt, of veranderingen die je opgelegd zijn. Veranderingen brengen altijd onzekerheid met zich mee, en ze kunnen je zenuwachtig maken, onrustig. Omdat je niet precies weet hoe het straks zal komen. Hoe moet je ermee omgaan? Veranderingen kunnen zich voordoen in je persoonlijke leven, in je relatie, je werk, als een ontworteling uit een vertrouwde situatie naar compleet nieuwe omstandigheden. Een verhuizing misschien, die kan geestelijk ingrijpend zijn, of juist heel concreet, maar vaak hangen die twee ook samen. Diepgaande veranderingen doen zich voor in de hele wereld, zeker ook in ons land. Het ziet er niet goed uit voor de zwakke en meest kwetsbare mensen, terwijl echt rijke mensen grotendeels buiten schot blijven. Veel veranderingen komen over je, terwijl je niet in staat of bij machte bent er ook maar iets aan om te keren. Je zult ermee moeten leren leven, 'zo goed en zo kwaad als het gaat', zo luidt de uitdrukking. Dan liéver, zou ik zeggen, 'zo goéd als het gaat'! Het lijkt alsof we allemaal individualisten geworden zijn, zo van: 'ikke, ikke, en de rest kan stikken'. Dat ís niet zo, het kán helemaal niet. Mensen zijn nu eenmaal niet 'los verkrijgbaar'. Mensen zijn altijd met elkaar verbonden in allerlei verbanden, diep of oppervlakkig. Wij mensen zijn ten diepste op elkaar aangewezen. En ook al kun je niéts aan een ongewenste situatie of aan wat je overkomt veranderen, dan nóg kun je er op een goede manier mee leren leven door de positieve manier waarop jij je opstelt en met de mensen omgaat die om je heen staan, en de mensen die op je weg worden gebracht. Daar is een oud Joods verhaal over.
'In het jaar duizend, toen de moslims in Spanje regeerden, woonde in Grenada een Jood die Samuël heette. Joden werden daar toen niet vervolgd. Samuël was zelfs de belangrijkste raadsheer van de Moorse koning die in het paleis in Granada woonde. Zoals dat in alle tijden gaat, waren ook toen velen afgunstig op Samuël. En er werden vele geruchten over hem verspreid. Dat hij de koning slechte adviezen gaf, en dat hij alleen dacht aan zijn eigen welzijn en aan dat van hen die bij hem hoorden. Vlakbij het paleis woonde een koopman die al die verhalen geloofde. Daarom haatte hij Samuël en hij gaf hem de schuld van alles wat verkeerd ging in de stad. Op weg naar het paleis kwam Samuël elke dag langs de winkel van de koopman, die dan naar buiten rende en hem uitschold en beledigde. Op een dag ging Samuël samen met de koning op pad. De koning was als een gewoon burger gekleed. Toen ze langs de winkel van de koopman kwamen kwam deze weer naar buiten en uitte de ergste vloeken en beledigingen. De koning schrok en zij tegen zijn bewakers: 'Arresteer die man en gooi hem in de gevangenis. Later zal ik besluiten wat ik met hem zal doen!' De koopman werd verschrikkelijk bang en vroeg zich af welke straf hij zou krijgen. Bij mensen die de koning beledigden werd de tong er wel uitgesneden! Ondertussen zei de koning tegen Samuël: 'Omdat die man jou beledigde, mag jíj uitmaken welke straf hij krijgt.' 'In dat geval', antwoordde Samuël, 'vraag ik u de koopman vrij te laten.' 'Hem vrijlaten? zei de koning, 'Waarom zou ik een man vrijlaten die jou zo haat, een poortwachter zij dat hij je heel vaak heeft uitgescholden!' 'In onze geschriften staat, dat wie zelf behoefte heeft aan vergeving, eerst moet leren een ander te vergeven. Bovendien, als ik zou willen dat zijn tong eruit gesneden moet worden, dan bevestig ik hem in zijn mening over mij, en hij zal mij nóg meer haten. Het is beter dat hij een reden krijgt om respect voor me te hebben.' En zo gebeurde. De koopman was natuurlijk blij, maar ook stomverbaasd! Toen hij de volgende morgen Samuël weer voorbij zag gaan, rende hij naar buiten, maar nu om Samuël te bedanken, vergeving te vragen en respect te betonen. Daarna vertelde hij aan iedereen die het maar horen wilde hoe wijs en goed Samuël was.'
De 'Gouden Regel' van Jezus luidt: 'Behandel een ander zoals je zelf behandeld zou willen worden.' (Mt.7:12) Als we in het nieuwe jaar zó met elkaar omgaan, en dat kúnnen we, of we nu gelovig zijn of niet, en van welke levensovertuiging we ook zijn, dan kán de wereld niet anders dan een beetje beter worden, om te beginnen bij onszelf! Ds. J.W. Jonkmans.
 
 
              LICHT IN HET DONKER
 
In deze tijd van het jaar is het al weer vroeg donker. De dagen worden korter, de nachten langer. Het weer is soms guur en kil, en de eerste nachtvorst hebben we al gehad. Dagenlang mist en druilerigheid doen ook geen goed aan je stemming. Want hoe jij je voelt, hangt vaak samen met hoe het weer is. Op een mooie lichte zonnige dag leef je gewoon weer op. En is het donker búiten, dan voel jij je ook donker en opgesloten van bínnen. Dan verlang je naar licht, naar warmte, naar geborgenheid en gezelligheid. Ook op een andere manier kan het donker zijn in je bestaan. Door verdriet, en ziekte, en zorgen, door het gemis van een geliefde en de ervaring van leegte in je leven. Evenzeer zul je dan verlangen naar licht en warmte, naar mensen die aan je denken en die er voor je zijn in liefdevolle gebaren, woorden en daden. In een kaartje, een gebed, een telefoontje of een bezoekje, of door gewoon iets voor je te doen dat jou zelf niet meer zo gemakkelijk af gaat. In de moeiten van je leven kun je ook verlangen naar de koesterende nabijheid van God. Wanhopig kun je soms bidden, en tóch een leegte ervaren. Als je té veel rondtobt in je eigen zorgen en duisternis, kun je God ook buitensluiten. Pas achteráf, als je er met veel moeite weer bovenop bent gekrabbeld, ontdek je wel eens dat God er op cruciale momenten wel degelijk was om je te helpen en een deur voor je te openen. Maar er zijn eigenlijk nooit gemakkelijke antwoorden te geven op de vragen rond de áánwezigheid of de áfwezigheid van God.
Één ding weten we wel, en dat is een gemakkelijk antwoord op een belangrijke vraag, nl:
De énige manier om het donker te verdrijven, is door een licht aan te steken!
Dat doén we dan ook massaal, in deze donkere dagen en weken vóór kerst. Licht staat symbool voor alles wat goed is. Voor leven en ópleven, voor eerlijkheid en openheid, voor vreugde en saamhorigheid, voor helderheid en duidelijkheid, voor goéd zicht op de goéde weg die voor je ligt. In de bijbel staat licht bij uitstek voor het Góddelijke licht dat doorbreekt in de wereld door de komst van Jezus Christus, naar wiens geboorte wij in deze tijd van Advent opnieuw uitkijken. Het Goddelijke licht dat alle menselijke duisternis en kwaad verdrijft. Elk jaar weer kunnen we er hoop uit putten, dat het kán, dat het moét kunnen, dat het zál gebeuren, dat liefde en gerechtigheid het winnen van zonde en onrecht! Door Jezus Christus, door mensen die Zijn weg van liefde en zorg voor de medemensen volgen, vanuit welke achtergrond ze dat ook doen. Het volgende gedicht, de auteur is mij onbekend, brengt die gedachte helder tot uitdrukking.
 
Om licht en liefde
 
Steek een kaars aan in het duister
laat het licht toe in je hart.
Maak je handen niet tot vuisten
streel maar zacht wat is verhard.
 
Steek een kaars aan in het duister
en zaai vrede waar je gaat.
Strek je armen uit en luister
naar de mens die naast je staat.
 
Steek een kaars aan in het duister
eer wat kwetsbaar is en klein.
Ga geduldig tot het uiterst
laat waar jij bent liefde zijn.
 
 
 
 
ZORG VOOR DE ZWAKSTEN
 
Nee, ik zal geen politiek bedrijven. Maar de dag dat ik dit schrijf is de 3e dinsdag in september, juist, Prinsjesdag, de dag van de troonrede en de 'openbaring' van kabinetsplannen. Dus gaan mijn gedachten onwillekeurig naar het gevoel dat mij al enkele jaren in steeds sterkere mate bekruipt. Dat we in onze samenleving (en niet alleen de onze) een door iedereen gedeeld stelsel van waarden en normen overboord hebben gegooid. Waarden en normen die, uit de bijbel afkomstig, afbakenen wat we met z'n allen beschouwen als juist en verkeerd, als goed en kwaad. Daaruit vloeien leefregels voort, als een samenhangend geheel, waaruit je ruimte schept en grenzen stelt voor de vrijheid van elk individu, én voor een rechtvaardige samenleving waarin mensen tot hun recht kunnen komen, óók de zwaksten. Een gedeeld stelsel waar je iéderéén op aan kunt spreken. Dat is er niet meer. De sterksten en de rijksten worden machtiger en rijker, de armsten en de zwaksten worden armer en kwetsbaarder. Dat is zó in tegenspraak met wat de bijbel zegt, dat het mij telkens weer verbaast dat het steeds maar door gaat. Nu zijn er wel steeds minder mensen die nog iets met God, met geloof, met bijbel of kerk hebben. Toch mag je wel iets meer verwachten van mensen of organisaties die de 'c' (nog) in hun vaandel dragen.. Maar ik besef dat het moeilijk is, om in een hele wereld die alleen nog om geld lijkt te draaien en niet meer om mensen, tóch nog zorg te hebben voor de zwaksten.
Een illustratie van hoe het kan toegaan in zo'n wereld geeft het volgende verhaal.
'Er was eens een heilige die samen met een derwisj rondtrok en wonderen van goedheid verrichten. Ze leefden van wat de mensen hen gaven. Tot de derwisj zich wilde vestigen in een plaats waar het leven gemakkelijk en goedkoop was. De heilige vond dat niet verstandig, maar gaf de derwisj toch een amulet waarop hij wat woorden had geschreven. Hij zei: "Als je in nood bent en mij nodig hebt, verbrand dan de amulet, dan zal ik naar je toe komen." Van het nietsdoen werd de derwisj langzamerhand dik en vet. Maar op een dag gebeurde het dat een dief de staatskas openbrak en alles meenam. Hij liet geen sporen achter. Later brak de dief opnieuw in een huis in. Maar nu viel de muur bovenop hem en hij kwam om. Dat werd aan de politie gemeld, terwijl er bij werd gezegd dat de muur van het huis bouwvallig was. De heer des huizes werd ter verantwoording geroepen en hem werd gevraagd: "Waarom is je huis niet stevig, deze ongelukkige had zeker honger en wilde iets voor hem en zijn gezin meenemen, en nu is hij dood. We zouden je moeten ophangen!" "Ik ben niet schuldig" zei de eigenaar van het huis "ik heb het door een bouwmeester laten bouwen, dié heeft het niet goed gebouwd, híj is schuldig!" Toen werd de bouwmeester ter verantwoording geroepen en men vroeg hem waarom hij niet goed had gebouwd. "Ik ben niet schuldig" zei de bouwmeester, "want toen ik aan het bouwen was heeft zich aan de overkant precies voor het venster een meisje getooid, dat heeft mij afgeleid, daarom heb in niet goed gebouwd. Men liet het meisje komen en wilde nu háár ophangen. Maar ze zei: "Elke dag maak ik mij voor mijn vriend mooi, maar die kwam te laat, dus heb ík geen schuld." Vervolgens werd nu de vriend opgepakt. Die wist er niets tegenin te brengen, en hij werd naar de executieplaats gebracht om hem op te hangen. Onderweg kwam men langs de plaats waar de derwisj zich in ledigheid ophield. De jongeman zei: "Ik ben nog jong, mijn hele leven ligt nog voor me, en mijn meisje wacht tot ik met haar zal trouwen. Neem toch die derwisj, die voor niks deugt." Zo gezegd, zo gedaan, en men sleepte de derwisj naar de galg. Voor ze hem ophingen vroegen ze hem: "Wat is je laatste wens?" Hij zei: "Ik wil bidden en een waterpijp roken." En aldus gebeurde. Hij ging aan de kant zitten, stak de waterpijp aan, en óók de amulet die de heilige hem gegeven had. Op hetzelfde ogenblik verscheen de heilige, hij zag dat de galg al klaar stond, hij liep er naar toe, verhief zijn stem en zei tegen het hele volk: "Ík wil opgehangen worden! Wie nú opgehangen wordt, komt rechtstreeks in het paradijs!" De beul schoof iedereen opzij en zei: "Als iémand er recht op heeft, dan ben ík dat wel!" Maar toen kwam de commandant van de wacht en zei: "Alléén ík heb er recht op!" Dat ging zo een tijdje door en het werd een chaos. De koning had vanuit zijn paleis alle rumoer wel gezien en stuurde iemand om te vragen wat er aan de hand was. Men vertelde hem, dat wie nú gehangen werd, direct in het paradijs kwam. Toen riep de koning: "Waarom moet iemand anders in het paradijs komen, en niet ík?" Dus hing men de koning onder grote eerbetuigingen op, in plaats van de bouwmeester die niet goed gebouwd had, waardoor de dief was gedood. De koning stuurde men regelrecht naar het paradijs, maar tot op heden is hij daar nog niet aangekomen.'